Om te begrijpen waarom deze bedrijven zo geliefd zijn, moeten we kijken naar hoe ze hun geld verdienen. Het bouwen van een mijn kost miljarden. Jonge mijnbouwbedrijven hebben vaak moeite om dat geld bij traditionele banken te lenen.
Hier stappen de Royalty & Streaming bedrijven in. Zij geven het mijnbouwbedrijf een grote zak geld vooraf (kapitaalinjectie) om de mijn te bouwen. In ruil daarvoor vragen ze geen rente, maar een deel van de toekomstige productie.
Er zijn twee varianten:
Royalty: Het bedrijf krijgt een vast percentage van de omzet (bijvoorbeeld 2% van al het goud dat ooit gevonden wordt). Dit heet vaak NSR (Net Smelter Return).
Streaming: Het bedrijf krijgt het recht om een bepaald percentage van het goud of zilver te kopen tegen een extreem lage, vaste prijs. Bijvoorbeeld: Wheaton Precious Metals mag zilver kopen voor $4 per ounce, terwijl de marktprijs $25 is. Het verschil is pure winst.
Het grootste gevaar voor een traditionele mijnbouwer is kosteninflatie. Data van de World Gold Council laat zien dat de extractiekosten (AISC) in de sector al jaren stijgen, wat de marges van gewone mijnbouwers onder druk zet. Als de goudprijs met 10% stijgt, maar de kosten voor diesel, dynamiet en lonen stijgen met 15%, maakt de mijnbouwer minder winst.
Royalty bedrijven hebben hier geen last van. Omdat zij een percentage van de omzet krijgen (de bovenste regel van de resultatenrekening) en niet van de winst, maken de operationele kosten van de mijn hen niets uit.
Stijgt de goudprijs? Dan stijgt hun inkomstenstroom direct mee.
Stijgen de kosten van de mijn? Dat is het probleem van de mijnbouwer, niet van het royaltybedrijf.
Dit maakt deze bedrijven de ultieme 'inflatie-hedge'. Daarnaast profiteren ze gratis mee van exploratie. Als de mijnbouwer een nieuwe goudader vindt op hetzelfde terrein, heeft het royaltybedrijf daar ook recht op, zonder dat ze een cent extra hoeven te investeren.
In deze nichemarkt domineren drie grote spelers. Ze hebben allemaal een breed gespreide portefeuille van honderden mijnen, waardoor het risico van één falende mijn verwaarloosbaar is.
Vaak gezien als de gouden standaard in de sector. Het Franco-Nevada aandeel staat bekend om zijn enorme diversificatie. Ze zitten niet alleen in goud en zilver, maar hebben ook royalties op olie- en gasvelden. Franco-Nevada heeft een ijzersterke balans (vaak geen schulden) en heeft een trackrecord van decennialange dividendgroei. Het wordt door veel analisten gezien als het 'veiligste' aandeel in de goudsector.
Waar Franco-Nevada koning is in goud en olie, focust Wheaton Precious Metals zich oorspronkelijk op zilver (voorheen heette het Silver Wheaton). Hun specialiteit is 'streaming'. Ze financieren vaak koper- of zinkmijnen en vragen in ruil daarvoor het zilver dat als bijproduct naar boven komt. Omdat de mijnbouwer vooral focust op koper, kunnen ze het zilver goedkoop aan Wheaton leveren.
De derde grote speler, die net als Franco-Nevada een sterke focus heeft op goud. Royal Gold onderscheidt zich door een zeer consistent dividendbeleid en een focus op mijnen in politiek veilige regio's (Tier 1 jurisdicties).
Hoewel veiliger dan een individuele mijn, zijn royalty bedrijven niet zonder risico. Als een mijn instort of genationaliseerd wordt door een vijandige overheid, stopt de productie. Als er niets uit de grond komt, is er ook geen royalty te innen. De inkomstenstroom droogt dan op. Echter, omdat deze bedrijven belangen hebben in honderden mijnen tegelijk, is de impact van één zo'n ramp beperkt, terwijl het voor een gewone mijnbouwer het einde van het bedrijf zou betekenen.
Voor wie gelooft in een stijgende goudprijs, maar slecht slaapt van de volatiliteit van mijnbouwaandelen, is de royalty-sector de gulden middenweg. U krijgt de 'upside' van het metaal en de exploratie, maar u wordt beschermd tegen de 'downside' van kosteninflatie en operationele blunders. Het is niet voor niets dat de 'Grote Drie' over de afgelopen twintig jaar vaak beter hebben gepresteerd dan zowel de goudprijs als de reguliere mijnbouwindex.